
Het aantal tuchtzaken in de jeugdzorg is de laatste jaren gestegen. De leereffecten ervan zijn vooralsnog beperkt, blijkt uit een evaluatie van vorig jaar. Zodra het over tuchtrecht gaat, heerst er onder professionals vaak angst. Lize Vandenberghe kreeg als jeugdbeschermer met een tuchtzaak te maken. Ze is bereid om haar ervaringen te delen
Beter doen
Lize kent de jeugdzorg door en door, en niet alleen vanuit haar rol als professional. Toen ze veertien jaar oud was, werd ze zelf uit huis geplaatst. De ene na de andere overplaatsing volgde. Lize: ‘Ik heb in reguliere opvanghuizen gewoond en in de jeugd ggz. En, vanwege plaatsgebrek, in de opvang voor dak- en thuislozen; crisisplekken waar ook volwassenen zaten.’ Haar dossier is meegenomen in het onderzoek van Commissie De Winter naar misstanden in de jeugdzorg. Een aanzienlijk percentage van de kinderen die in jeugdzorginstellingen of pleeggezinnen verbleven was onvoldoende beschermd tegen verschillende vormen van geweld, was de belangrijkste conclusie. Ze voelde zich door de commissie erkend. Haar persoonlijke ervaringen deden haar ook besluiten om in de jeugdzorg aan de slag te gaan. ‘Sterker nog: toen ik van de ene naar de andere opvang ging, hield die gedachte mij op de been. Ik dacht: nu is het rot, maar ooit sta ik aan de andere kant. Dan ga ik het anders, beter doen.’
Je eigen verhaal overstijgen
Voordat ze als jeugdzorgwerker aan de slag ging, deed ze ervaring op met het begeleiden van jongeren in een maatschappelijk project voor vroegtijdige schoolverlaters. ‘Ik was zelf een vroegtijdige schoolverlater. Ik wist hoe belangrijk het is om als jongere je verhaal te vertellen. Maar er komt meer bij kijken om als jeugdhulpverlener aan het werk te gaan. Je moet onder meer leren je eigen verhaal te overstijgen, het verhaal van anderen centraal te stellen.’
‘Ooit heb ik zelf aan de andere kant van de tafel gezeten’
Na het mbo Sociaal Werk koos Lize voor pedagogiek, waar ze gegrepen werd door systemisch en contextueel werken. ‘Er werken fantastische mensen in de jeugdzorg, maar ik zag ook een sterke neiging om in tekorten en stoornissen te denken, symptoomgedreven te werken. Ik wilde meer oog voor de rol van de omgeving en signalen en verhalen van jongeren zelf, iets wat ik nog altijd hard nodig vind.’
Tuchtzaak
Net afgestudeerd kreeg ze een baan in de jeugdbescherming. Lize was een paar maanden aan het werk, toen ze ja zei tegen een zware case waarin al eerder klachten tegen hulpverleners ingediend waren. Ze zou de zaak enkel waarnemen, tot er een geschikte medewerker beschikbaar zou zijn. Lize: ‘Mijn eerste fout was ja zeggen, terwijl mijn gevoel nee zei. Het betrof een complexe echtscheiding. Ik was er ook in methodische zin niet voor geschoold. Ik dacht: ik doe dit wel even.’
Wat ging er mis?
‘Ik heb in die case fouten gemaakt en vroeg te laat om hulp. Ik had mezelf aangeleerd om mezelf groot te maken en juist geen hulp te vragen, zonder bij anderen te rade te gaan of ik hier mijn verantwoordelijkheid wel kon waarmaken. Ik heb zo snel mogelijk geprobeerd om de fouten te herstellen, door er niet omheen te draaien en aan de betrokkenen te erkennen dat dit impact op hen moest hebben. Ik weet uit eigen ervaring hoe belangrijk dat is. Maar het werd een tuchtzaak. En dat was zwaar.’
Wat was er zo zwaar aan?
‘Ik kwam in een freeze modus terecht tijdens de zitting. Het liefst wilde ik door de grond heen zakken. Niet alle klachten werden gegrond verklaard. Toch voelde ik me een onmens, alsof ik het niet waard was dit werk te doen. Het raakte mij diep in mijn identiteit. Het ergste was dat ik voor mijn gevoel niet de kans kreeg om iets te herstellen naar de ouder toe. Ik heb wel een excuusbrief kunnen schrijven. Het was heel juridisch, de zaak speelde nog vóór de nieuwe inrichting van het nieuwe professionele toezicht.’
Steun kreeg ze vooral van de beroepsvereniging en haar leidinggevende. ‘De case had zich voorgedaan bij een organisatie die al onder toezicht stond van de inspectie. Er speelde veel. Je hebt als organisatie een wettelijk taak om een OTS binnen een paar maanden uit te voeren. Onder druk van personeelstekorten en financieringsafhankelijkheid, kan een een dynamiek ontstaan waarin organisaties naar buiten toe niet zeggen, dat ze die taak niet kunnen waarmaken. Die angst om de overheid tegen de schenen te schoppen speelt in organisaties nog altijd. Mijn leidinggevende schreef namens zijn organisatie een brief naar de tuchtcommissie, waarin stond dat ik niet goed gefaciliteerd was. Dat was belangrijk voor mij. Het voelde als erkenning van een gedeelde verantwoordelijkheid. Later las ik een onderzoek van Joost Kampen over de ‘verwaarloosde organisatie’, wat me inzicht gaf in hoe medewerkers zich in zo’n situatie kunnen gedragen. Dat heeft me geholpen beter te begrijpen hoe dit heeft kunnen gebeuren.’
Altijd verdedigen
Nu weet ze dat ze tegen haar organisatie had moeten zeggen: ‘Zolang ik niet goed gefaciliteerd word, kan ik deze case niet goed uitvoeren, want ik doe mogelijk schade aan het gezin dat ik help.’ Maar ze was bang daarmee haar baan op het spel te zetten. Hoewel Lize het niet met alle uitspraken van de commissie eens was, zal ze het recht van mensen om een klacht in te dienen en grondig gehoord te worden, altijd verdedigen. ‘Je hoort nu wel eens stemmen opgaan om tuchtrecht maar af te schaffen. Daar ben ik zeer op tegen, ook al heeft deze zaak grote persoonlijke impact gehad. Ik heb zelf ooit aan de andere kant van de tafel gezeten. Erkenning is zó belangrijk.’
Ontslag
Na de tuchtzaak nam Lize vrijwillig ontslag. Ze had een tijdje afstand nodig. ‘In die periode leerde ik dat je geen onmens bent, als je fouten maakt. Ik deel mijn verhaal, inclusief mijn schaamte en mijn fouten, omdat ik geloof dat die openheid nodig is om iets te veranderen. Sharon Stellaard laat met haar onderzoek naar de jeugdzorg zien dat veertig jaar hervormen het fundament van dit werk niet heeft gerepareerd. De Amerikaanse hoogleraar maatschappelijk werk Brené Brown liet mij zien waar het wél begint: bij de moed om kwetsbaar te zijn. We bouwen structuren om onszelf te beschermen tegen kwetsbaarheid, terwijl er zonder kwetsbaarheid geen verbinding is. Zolang we doen alsof dat niet zo is, verandert er niets. Brown zegt het mooi: ‘If you step in the arena, get prepared to get your ass kicked.’
Wat ben je na je ontslag gaan doen?
‘Ik werd beleidsmedewerker, om ook ervaring op te doen met die kant van de jeugdzorg. Ook daar zag ik geweldige mensen. Maar ik vind het een gemiste kans dat beleidsmedewerkers lang niet altijd ervaring hebben of het vak niet kennen, waardoor beleid soms te ver af van de realiteit af staat of niet goed uitvoerbaar is.
‘Uiteindelijk ligt de bal bij ons, de uitvoerende professionals. Wij moeten invloed terugpakken. We willen loyaal zijn aan onze organisaties, maar we moeten ook volmondig ja kunnen zeggen tegen ‘onze’ gezinnen en een goede uitoefening van het vak. Het tuchtrecht en de beroepscode kunnen ingezet worden op de momenten waarop de kwaliteit onder druk staat. Dat kan ook liefdevol, door het samen met onze collega’s, managers en beleidsmakers te hebben over de code, twijfels, onzekerheden, omstandigheden die ontoereikend zijn of ontbrekende deskundigheden en de fouten die we maken. En die niet weg te stoppen.’
Hoe bedoel je dat?
‘Als ik nu voor een tuchtcommissie zou moeten verschijnen, zou ik daar met meer vertrouwen staan. Iemand vroeg mij of ik dit interview wel moest doen. Mensen zouden denken: waar rook is, is vuur. Om in die metafoor te blijven: rook hangt om iedereen heen, die bereid is om dit werk te doen. In de jeugdzorg neemt de druk alleen maar verder toe: meer taken, minder middelen, hoge verwachtingen en veel spanning in de samenleving. De schaamte over en taboe op fouten moeten er vanaf. Ik zou meer openheid willen. Dat is de reden waarom ik dit verhaal deel.’
Hoe kijk je naar de evaluatie van het vernieuwde professioneel toezicht, dat vorig jaar verscheen?
‘Ik denk dat er nog altijd te veel gedacht wordt in structuren en systemen. Uiteindelijk gaat ons werk over mensen en menselijk gedrag. Angst verdwijnt niet door een systeem of procedure te hertekenen. Ik weet dat SKJ iets anders beoogt, maar mijn beleving van de tuchtprocedure was: het maakt niet uit of je eerlijk reflecteert op je handelen en er alles aan doet om fouten recht te zetten, zolang het juridisch maar klopt. De conclusie die ik trok was: de volgende keer zou ik me zoveel mogelijk moeten indekken en zo min mogelijk risico willen lopen. Daarom nam ik ontslag: ik weiger op deze manier te werken. Na mijn procedure is de hele werkwijze van de SKJ aangepast, maar ik begrijp de angst voor een tuchtzaak van professionals erg goed.’
‘Ik leerde ik dat je geen onmens bent, als je fouten maakt’
Hoe kan het beter?
‘Als je gaat werken in de jeugdzorg, stap je in een politiek-maatschappelijk explosief veld. Kinderen kunnen bijvoorbeeld te snel uit huis worden geplaatst uit angst voor de media, een tuchtrechtzaak. De sector ligt vaak onder vuur. Dat kan leiden tot een gevoel van saamhorigheid: wij tegen de boze buitenwereld. Regels en procedures kunnen gaan functioneren als zelfbescherming, als schild waarachter je je verschuilt. Als je op papier maar alles goed afgedekt hebt. In zo’n cultuur gedijt elkaar aanspreken slecht. Net als leren van je fouten en echt open staan voor wie er voor je zit. Uiteindelijk keert zo’n mentaliteit zich tegen de sector, want mensen met wie je werkt, voelen dat. Ze worden wantrouwig, kunnen zelfs in complotten gaan denken. Werken in de jeugdzorg is prachtig, maar complex. Ik denk dat het belangrijk is om nadrukkelijker open te zijn over de onzekerheid in ons werk, over de risico’s en dat we ook fouten maken. Dat is inherent aan het werk.’
‘Ik wil af van het verhaal dat we in de jeugdzorg alles onder controle hebben. Daarom begin ik bij mijzelf: ik wil erkennen dat ik fouten maak en eerlijk zijn, ook al komt dat soms niet goed uit. Spreek me daar te allen tijde op aan. Daarnaast moeten we als professionals vaker de beroepscode inzetten. Dat we kunnen zeggen waar we voor staan, als het systeem iets anders vraagt dan wat goed is voor de gezinnen en onze waarden als sociaal werkers. Laten we de beroepscode niet als angst voor straf, maar als kracht inzetten.’

